« Terug

De inlenersbeloning wordt verplicht

achtergrond-werkgevers-van-waarde.jpg15 mrt

Vanaf 30 maart 2015 zijn de uitzendbureaus verplicht om vanaf dag één de inlenersbeloning toe te passen. Dit is in de onderhandelingen over de ABU-cao afgesproken. Daarmee hanteren de cao van ABU én de NBBU op dit punt dus hetzelfde uitgangspunt.

De inlenersbeloning is erop gericht dat de uitzendkracht hetzelfde salaris ontvangt als de andere werknemers van de inlener die dezelfde werkzaamheden uitvoeren en volgens de cao van de inlener worden betaald. De uitzendbureaus zijn sinds kort verplicht om vanaf dag één de inlenersbeloning toe te passen. Doen zij dat niet, dan kun jij als inlener vanaf 1 juli 2015 daarop worden aangesproken door de uitzendkracht.

Inlenersbeloning is een term uit de cao voor uitzendkrachten van de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU). Voorheen gaf deze cao het uitzendbureau tijdens de eerste 26 weken van een plaatsing de keuze: óf de beloningsregeling uit de ABU-cao toepassen óf de inlenersbeloning laten ingaan vanaf dag één. De cao voor uitzendkrachten van de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen (NBBU) hanteerde de inlenersbeloning altijd al vanaf dag één. En dan is er nog de cao LEO, die aangeeft dat vanaf dag één de bepalingen uit deze cao gelden voor vakkrachten en vanaf week 27 voor de overige werknemers.

Waaruit bestaat de inlenersbeloning?
De inlenersbeloning is samengesteld uit:

  • het geldende periodeloon in de loonschaal die van toepassing is;
  • arbeidsduurverkorting (atv-dagen);
  • toeslagen (overwerk, verschoven uren, onregelmatigheid, ploegentoeslag);
  • initiële loonsverhoging;
  • kostenvergoedingen;
  • periodieken.

Het uitgangspunt van deze afspraken is dat er geen verschil is in de arbeidsvoorwaarden tussen een uitzendkracht en een medewerker die rechtstreeks bij jou in dienst is.

Wet aanpak schijnconstructies
Er zijn slechts twee uitzendcao’s in Nederland, de ABU en de NBBU, dus het uitzendbureau waarmee jij zaken doet, valt onder één van beide.Nu beide cao’s de inlenersbeloning vanaf dag één verplicht stellen, geldt voor jou als inlener dus de inlenersbeloning vanaf dag één. Dit weegt zwaarder dan de bepaling in de cao LEO.
De inlenersbeloning is een regel voor de uitzendbureaus. Dan moeten zij daar toch naar handelen? Dat klopt, maar als inlener kun jij door de uitzendkracht worden aangesproken als het uitzendbureau waarvoor hij of zij werkt zich niet aan deze afspraken houdt. Dit is geregeld in de Wet aanpak schijnconstructies (WAS), die nu nog in de Eerste Kamer ligt. Aangezien de wet unaniem door de Tweede Kamer is aangenomen, verwachten we dat deze wet ook ongeschonden door de Eerste Kamer komt. In dat geval gaat deze wet in op 1 juli 2015. Het is daarom verstandig om dit te bespreken met jouw uitzendbureau en hierop te controleren. Waarschijnlijk heeft het jou al gevraagd welke cao-bepalingen voor jouw sector gelden. Mocht het tot een discussie leiden over de beloning van de uitzendkracht, dan moet de uitzendkracht eerst het uitzendbureau daarop aanspreken. Met de inwerkingtreding van de WAS kan de uitzendkracht, als hij bij het uitzendbureau geen compensatie krijgt, hiervoor nu ook aankloppen bij jou als inlener. Voor jou als opdrachtgever is dat een verhoogd risico. Een uitzendkracht kan namelijk direct een claim bij jou neerleggen, gesteund door wetgeving. Mocht het tot een rechtszaak komen, dan zal de rechter aan zijn kant staan. Ongetwijfeld zullen de algemene voorwaarden van het uitzendbureau alle aansprakelijkheid omtrent deze risico’s bij jou als opdrachtgever neerleggen.

Uitgezonderde uitzendkrachten
In de ABU-cao staat een aantal groepen die niet onder de inlenersbeloning vallen. Wanneer de uitzendkracht onder één van die groepen valt, dan kan de uitzendkracht worden beloond volgens de uitzendcao. De inlenersbeloning geldt dan niet. Deze groep bestaat uit:

  • langdurig werklozen (het criterium is twaalf maanden van werkloosheid);
  • re-integratiedoelgroepers (in overeenstemming met de regelingen die door of vanwege de overheid zijn vastgesteld, onder wie personen die recht hebben op een uitkering op basis van: WIA, WAO, Wajong, WWB. Er moet dan sprake zijn van een beperkte verdiencapaciteit);
  • werkzoekenden die in het kader van de Participatiewet:
    - een loonkostensubsidie ontvangen, omdat zij niet in staat zijn met voltijdse arbeid 100 procent van het wettelijk minimumloon te verdienen;
    - in staat zijn met voltijdse arbeid op het niveau van het wettelijk minimumloon te verdienen;
    - tussen 101 en 120 procent van het wettelijk minimumloon zouden moeten kunnen verdienen;
  • schoolverlaters (personen die na afronding van de opleiding minimaal drie maanden op zoek zijn naar werk evenals voortijdige schoolverlaters);
  • uitzendkrachten zonder startkwalificatie (dat wil zeggen: geen diploma op minimaal mbo-niveau 2, of geen diploma op havo- of vwo-niveau), onder de voorwaarde dat zij een kwalificerende opleiding (zie artikel 63 lid 11 van de cao) volgen;
  • uitzendkrachten die een opleiding op Beroeps Kwalificerend Assistent (BKA) niveau 1 volgen, aangeboden door de uitzendonderneming. Voorwaarde daarbij is dat deze BKA-opleiding kwalitatief aan een aantal normen voldoet. Bij Stichting Opleiding & Ontwikkeling Flexbranche is een lijst beschikbaar van de opleidingen die hieraan voldoen;
  • herintreders (personen die ten minste drie jaar niet actief zijn geweest op de arbeidsmarkt en op zoek zijn naar werk);
  • vakantiewerkers.

    Daarnaast zijn er nog een paar bijzondere gevallen. Die zijn omschreven als:
  • bijzondere situaties (bijvoorbeeld specifieke seizoensarbeid);
  • (lokaal) afwijkende of verstoorde arbeidsmarktverhoudingen (in elk geval als gevolg van brede toepassing van de Wet minimumloon waar dat volgens de cao niet mogelijk is).
    Wat hiermee precies wordt bedoeld, zal in de praktijk blijken. Deze tekst komt uit de hiervoor genoemde cao van de ABU.

Bron: Cumela.nl

« Terug

Deel dit bericht

Scroll naar boven